Vlaamse cavia club…
Random header image... Refresh for more!

Genetica

Iedere fokker en tentoonsteller, zowel beginnend als ervaren wordt steeds maar geconfronteerd met de wijze raad ‘selecteren, selecteren en selecteren’. Bovendien raadt men de fokkers aan om zo vroeg mogelijk met het selecteren te beginnen. Natuurlijk moet je voldoende nakomelingen hebben om te kunnen selecteren. Vandaag de dag weet zelfs het kleinste kind, dat wie aan nakomelingen wil geraken, fokparen of fokgroepen moet samenstellen. Om gepaste fokparen of fokgroepen bij elkaar te zetten loont het zeker de moeite om iets van erfelijkheid en erfelijkheidsleer af te weten. Erfelijkheid is echter niet gemakkelijk te doorgronden. We beginnen namelijk te spreken over de binnenkant van onze cavia’s, over zaken die we niet zien, over zaken waarover nog niet alles geweten is. Daarnaast zijn heel vele zaken van de buitenkant van een cavia niet door één factor, maar door een combinatie van factoren te verklaren. Tenslotte is een goed tentoonstellingsdier niet alleen een gevolg van erfelijkheid en van aanleg, maar ook van omgevingsfactoren, van het milieu waarin het opgegroeid en verzorgd is. Het beste dier –in aanleg- kan nog steeds verknoeid worden door de verzorging vanwege de fokker of, beter, door het ontbreken ervan.

Je vindt vandaag nog meer dan vroeger cavia’s in zowat alle kleuren, zowel erkende als niet erkende. Ook de haarstructuur kent meer en meer variatie: met of zonder haar, gladhaar of gekruld, rex of teddy, langhaar of kort haar, met kruin of zonder kruin, enz. De laatste tijd vertellen –vooral beginnende- fokkers mij nogal eens, dat ze bij de geboorte van nieuwe cavia’s nogal verwonderd opkijken. Ze hadden het fokresultaat helemaal niet verwacht. Ze vragen dan ook hoe ze dat hadden kunnen weten? Hoe ze dat hadden kunnen voorspellen? Hoe hadden ze de teleurstelling kunnen vermijden?

In eerste instantie durf ik mijn oproep herhalen om zoveel mogelijk fokzuiver te fokken. Nu wordt er heel vaak gefokt met dieren, die drager zijn van dit of dat. Ieder dier kan drager zijn van heel veel dingen, want het zit aan de binnenkant en dat kan je niet zien. Toch om wat meer inzicht te geven in het fokken met cavia’s zullen we in dit en volgende nummers wat dieper ingaan op erfelijkheid of genetica. Tevens verwijzen we naar de cursus van dierenarts Andy Verelst “Inleiding tot de anatomie, fysiologie, ziekteleer en erfelijkheidsleer en algemene veeteeltprincipes” (te koop via de website van het VIVFN).

Beer of zeug?

Iedere cavia (en bij uitbreiding ieder ander levend wezen) krijgt of erft –zo je het wilt- hoe hij of zij eruit ziet mee van zijn vader-beer of moeder-zeug. Iedere beer én iedere zeug geven erfelijke informatie door aan hun nakomelingen. Die erfelijke informatie zit opgeslagen in de cellen, die de bouwstenen van ieder levend organisme zijn.

Iedere cel wordt omgeven of afgesloten door een membraan. Deze cel is gevuld met celvocht of cytoplasma, waarin zich ook de nucleus of kern bevindt. In deze nucleus zitten nu de chromosomen.

Chromosomen.

De celkern bevat naast het kernvocht ook chromatine. Chromatine is de stof waaruit chromosomen zijn opgebouwd. Het gehalte aan chromatine is in elke cel in een bepaald organisme, met uitzondering van de geslachtscellen, gelijk. Chromatine bestaat uit DNA en eiwitten die histonen genoemd worden. DNA of Deoxyribonucleïnezuur is een tamelijk grote molecule die men kan voorstellen als een soort draad. Deze DNA-draad heeft een vrij grote lengte, en komt in de celkern voor als “opgerolde” chromatinedraden. Dit DNA heeft nu groot belang voor onze erfelijkheidsstudie. Het is namelijk drager van erfelijke informatie. Op het DNA liggen de afzonderlijke genen. Het aantal genen kan per organisme verschillen. Planten hebben de meeste genen, rond de vijftigduizend. Zoogdieren als de mens, de muis, de rat en de cavia hebben er ongeveer vijfentwintigduizend, insecten en wormen tussen de tien- en de twintigduizend. Alle genen van een organisme worden samen het genoom genoemd. Belangrijk is ook te vermelden, dat ieder gen niet om het even waar op een chromosoom staat. Ieder gen heeft een speciale plaats op een specifiek chromosoom. Dit noemt men de locus of de loci van de genen.

Bij normale celdeling (mitose) wordt het DNA in de oorspronkelijke cel gekopieerd, en elke dochtercel krijgt een kopie van het totale genoom. Bij meiose, een vorm van celdeling waarbij de geslachtscellen (gameten) ontstaan, krijgt elke dochtercel slechts de helft van de DNA in de moedercel. Omdat geslachtscellen als ze versmelten ook hun DNA samenvoegen, heeft het nieuwe organisme dat hieruit ontstaat, weer de normale hoeveelheid DNA. De eigenschappen van het nieuwe organisme, zoals vastgelegd in het DNA, zijn op deze wijze van beide ouders afkomstig. Het is dus absoluut belangrijk om de erfelijke aanleg van onze ouderparen zo volledig mogelijk te kennen. Wat ze aan erfelijk materiaal gaan samenbrengen, bepaalt de kwaliteit van de nakomelingen als tentoonstellingsdieren. Voor de eenvoudigheid van het artikel gaan we niet verder in op moleculaire of klinische genetica. We zullen ons hier beperken tot de wetten van Mendel.

Fenotype en genotype.

Interessant en essentieel daarbij is het onderscheid tussen genotype en fenotype. Voor tentoonstellingsdieren is het fenotype uiterst belangrijk. Het fenotype is namelijk wat we zien, de buitenkant, de globale verschijningsvorm. Het zijn de uiterlijke kenmerken van een dier, terwijl het genotype dan weer de erfelijke informatie is, opgeslagen in de genen, in het DNA. Het genotype zal de kwaliteit al dan niet doorgeven aan de nakomelingen, afhankelijk van de combinatie met een ander genotype. Het ideale fenotype ligt beschreven in de standaard van het ras en zegt niks over het genotype van het dier.

Fokzuiver

Daarnet hadden we het reeds over fokzuiver fokken. Wel fokzuiver of homozygoot betekent, dat de allelen van een bepaald locus identiek op beide chromosomen zijn. Fokonzuiver of heterozygoot betekent daartegenover dat de allelen van een bepaald locus op beide chromosomen verschillend zijn. Een voorbeeld van fokzuiver zijn twee gladharen, terwijl een fokonzuivere kruising een langhaar met een gladhaar is.

Dominant en recessief.

Genen worden nu voorgesteld door symbolen. Afhankelijk van het land, waaruit de wetenschapper afkomstig is, kan je wel eens verschillende symbolen tegenkomen. De principes blijven echter steeds dezelfde. In onderstaande kruisingstabel is het niet belangrijk wat de B/b voorstelt. Een hoofdletter B duidt aan dat die eigenschap dominant is, d.w.z., dat het een andere eigenschap op dezelfde locus zal overheersen, zal onderdrukken. Een kleine letter b duidt er dan weer op, dat die eigenschap recessief is, ondergeschikt is, niet op kan tegen het dominante.

BB betekent dan dat die dominante eigenschap dubbel voorkomt en dus zeker in het fenotype te zien is. Bb betekent, dat het genotype een combinatie is van het dominante B en van het recessieve b. Het fenotype laat echter alleen maar de dominante eigenschap B zien. Wanneer we echter twee dieren kruisen met een Bb combinatie in hun genotype, dan merken we dat 3 van de vier nakomelingen er gelijk gaan uitzien aan de buitenkant en eentje gaat het recessieve kenmerk vertonen: bb.

Kleurgenetica

Het is duidelijk, dat ook voor bouw en type, voor kop, oren en ogen, voor beharing, voor de grootte, het gewicht,… erfelijke factoren meespelen. Laten we ons nu beperken tot kleuren.

Agouti als oerkleur.

Cavia’s zijn historisch gezien afkomstig uit Zuid-Amerika. De oerkleur is agouti. Van deze wildkleur zijn alle andere kleuren door mutaties of combinaties van mutaties ontstaan. Iedere kleur stellen we nu voor door een aantal letters. Een letter stemt overeen met een ‘locus’ of de plaats die dat gen inneemt in het chromosoom.
In een artikel van 1927 van Sewall Wright lezen we dat de voornaamste kleurvariaties, die vastgesteld zijn bij cavia’s, verklaard worden door zeven series van allelomorfe factoren. De mogelijke combinaties tussen deze zeven factoren leveren theoretisch niet minder dan 43.740 genetisch verschillende cavia’s op. We zullen dus nog een tijdje mogen fokken om al deze combinaties in onze stallen te hebben.

A-locus

Op de A-locus ligt het gen, dat verantwoordelijk tekent voor de agoutikleur. A duidt de agouti aan en is dominant over andere kleuren. (voor de uitzondering, zie verder) Het is tevens verantwoordelijk voor de ticking, waarmee deze diertjes getooid lopen.
Wanneer we een kleine letter ‘a’ schrijven, duiden we daarmee een niet agouti of een eenkleurig dier aan. Een fokzuivere agouti gekruist met een fokzuiver niet-agouti geeft dus een fokonzuivere agouti. Zoals daarnet gezegd geeft de kruising van die twee fokonzuivere agouti’s weer drie agouti’s en één niet-agouti, waarbij weer twee van de drie agouti’s fokonzuiver zullen zijn.
Op datzelfde locus kan je echter ook nog andere factoren ontmoeten:
– aᵗ  = tanpatroon
– a ͬ = solid kleur (ticking loopt door op buik).

De tankleur en de solidagouti zijn beide dominant over eenkleurige dieren, terwijl de gewone agouti dominant is over tan en solid.

Op de laatste nationale wedstrijden in Geel werden Slate Blue en Tan Slate Blue ter erkenning naar voor gebracht. Wie van beide variëteiten toen een beer en een zeug gekocht heeft en die onderling verpaard heeft, zal meer dan waarschijnlijk allemaal Tan Slate Blues gekregen hebben (op voorwaarde natuurlijk dat ze beide fokzuiver waren).

Hier verdient het ook al aanbeveling om iets over de rode variëteiten te zeggen. Het is helemaal niet zeker, dat die diertjes ‘aa’ hebben. In volgend deel gaan we namelijk zien, dat ‘rood’ veroorzaakt wordt door de e-locus. Deze laatste veroorzaakt namelijk complete afwezigheid van zwart of bruin en produceert in ee eenkleurig rode cavia’s ongeacht de andere loci (proefparingen met beige als separator kunnen duidelijkheid opleveren). Een rode cavia kan dus ongezien drager zijn van Agouti.

B-locus.

De B-locus bepaalt het bruin- of zwartpigment. B is dominant over b en is verantwoordelijk voor de zwarte kleur van onze cavia’s. Tot nu toe hebben we één mutatie op deze locus genoteerd. Deze verandert het zwart pigment in de haren en in de huid tot bruin. ‘b’ is dus recessief en levert in de combinatie bb een bruine of chocolade cavia op (op voorwaarde dat de cavia eenkleurig is, nl. aabb). Ook de oogkleur wordt aangetast en vertoont onder een bepaalde lichtinval een rode gloed, wat we ook wel vuurogen noemen. Aan het einde van deze reeks zullen we een volledig lijstje van combinaties van het genotype zetten en de overeenstemmende fenotypes. Dat zal het allemaal wat duidelijker maken, want finaal leveren de combinaties van de verschillende loci andere fenotypes op.

Nu kunnen we al zeggen dat:

–          aaBB zuiver zwart is

–          aaBb is zwart, maar wel chocolade dragend

–          aabb is zuiver chocolade.

E-locus.

Na de A en de B komt normaal de C. We zullen de C-locus nog even laten voor wat het waard is, want anders wordt het allemaal misschien nog onoverzichtelijker dan genetica al dreigt te zijn. We gaan onmiddellijk over naar de E-locus. De allelen op deze locus beïnvloeden de verhouding van het zwart (of bruin) en het rood (of het gele pigment) in de beharing en de verdeling van deze kleuren over het ganse lichaam.

Hier zijn drie allelen bekend, die verschillen naar graad van dominantie:

–          E staat voor ‘full extension’ of volledige uitgestrektheid van het zwarte of bruine pigment. Het regelt met andere woorden de verdeling van het zwarte pigment over het volledige lichaam van onze cavia’s.

–          e staat voor ‘partial extension’ of onvolledige uitgestrektheid van het zwarte (of bruine) pigment. Als we spreken over ‘onvolledige’ uitgestrektheid impliceert dit ook dat er een ander deel is, dat in beslag genomen wordt door een andere kleur. Die andere kleur is dan ook het rood (of geel). e staat voor schildpad en e staat voor brindle. In de eerste combinatie worden rode en zwarte vlakken mooi egaal en mooi afgelijnd afgewisseld, terwijl in de tweede combinatie 1 rood haar afgewisseld wordt met 1 zwart haar. In combinatie met andere loci geven beide schildpad en brindle allelen natuurlijk andere kleurencombinaties. Ook hier verwijzen we weer naar de overzichtstabel aan het einde van deze reeks.

–          E staat dan weer voor ‘non-extension’, wat zoveel betekent als ‘het zwarte of bruine pigment wordt niet uigestrekt over het lichaam’. Dit gen is dus in ‘ee’ vorm verantwoordelijk voor de volledige afwezigheid van zwart of bruin pigment in de vachtkleur. Het laat alleen rood of geel in de vacht van het dier toe. We herhalen wat we in het vorige deel ook al gezegd hebben: in fokzuivere toestand (ee) geeft dit gen steeds volledig eenkleurig rode dieren (of een verdunning ervan), onafgezien van de combinaties op het A- of het B-locus. Geleerd uitgedrukt betekent dit dat ee epistatisch over A en B is. Wie de genetische samenstelling van een eenkleurig rood dier wil achterhalen, zal dus wat proefparingen moeten doen. Ofwel gebruikt de fokker hiervoor dieren, die wel zwart in hun vachtkleur toelaten, ofwel zoekt hij zijn heil bij beige, wat een seperator is (een genotype dat de loci uitsplitst). Deze fokker zal dus via het fenotype of het uiterlijk moeten proberen te achterhalen hoe het genotype in elkaar steekt.

Een voorbeeld om het toe te lichten:
een eenkleurig gladharige rode beer wordt gekruist met een zwarte US-Teddy zeug, waarbij deze combinatie een gladharig jong oplevert dat een goudagouti blijkt te zijn. De rode gladhaar was klaarblijkelijk ook drager van het A-allel, dat onderdrukt werd door het ee. Eens het A in combinatie gesteld werd met het a van de zwarte zeug en de e van de beer met het E van de zeug ontstond een goudagouti jong. Deze combinatie zal het echter wel laten afweten op de echte rastypische kenmerken.

Nu hebben we in totaal al drie belangrijke factoren de revue zien passeren: de agouti-factor, de zwart/bruin-factor en de ‘zwart extensiefactor’. Met deze drie factoren raken we al een heel eind op weg om kleuren en het kleurenspel te begrijpen. Tot nu toe hebben we echter nog maar heel weinig gezegd over de oogkleur. Vandaar het belang van de volgende locus.

P-locus.

De P-locus staat ook gekend als de verdunning van zwart en bruin pigment. In de eerste plaats zien we echter ook de invloed ervan op de oogkleur.

–          P is de dominante vorm en tekent verantwoordelijk voor donkeroog

–          p is de recessieve vorm en levert in pp een roodoog op

–          pͬ staat dan voor ‘robijnoog’ of ‘ruby eye’.

In combinatie met andere factoren geeft dat volgende fenotypes:

–          Zwart wordt lila aaBBEEpp

–          chocolade wordt beige aabbEEpp

–          aaBBEE p ͬ p ͬ  = slate blue

–          aͭaͭBBcͬcͬEE p ͬ p ͬ  = zilvervos slate blue

–          A…. p ͬ  = argente of agouti  waarbij de ticking ontbreekt en tipping wordt.

Hier wordt stilaan duidelijk, dat fokken met cavia’s die niet fokzuiver zijn en die drager (kunnen) zijn van alles en nog wat, onverwachte resultaten kunnen opleveren. Een fokker vertelde mij eens, dat hij makkelijker de resultaten van de lotto kon voorspellen dan de fenotypes van dergelijke fokproducten. Misschien wel wat overdreven, maar toch…

C-locus.

Deze locus staat voor de inhibitie van pigmentvorming. Deze factor zorgt er dus voor, dat er zich geen pigment vormt in de beharing, de huid en de ogen.

We kunnen de C-locus ook de albinoreeks (ook al bestaan er bij cavia’s geen echte albino’s die levensvatbaar zijn)  noemen: in combinatie met B-locus is deze verantwoordelijk voor de verdunning van zwart tot rus en in combinatie met E-locus voor de verdunning van rood tot wit

–          C⁺ = normale intense kleurvorming

–          c    = dark dillution (zwart wordt donker sepia)

–          c ͩ = light dillution (zwart wordt iets bleker sepia en rood wordt geel)

¡  eePP c ͩ c ͩ  = buff

¡  eePP c ͩ cͬ of eePP c ͩ cͣ = crème

¡  eepp c ͩ c ͩ  met geelversterkers = saffraan

–          c ͬ = red eye dillution (cfr chinchilla factor bij konijnen)

¡  Afwezigheid van rood en geel en een lichtere variant van zwart

¡  AABBEEPPc ͬcͬ = zilveragouti

¡  AAbbEEPP c ͬcͬ = kaneelagouti

¡  AABBEEppc ͬcͬ = zalmagouti

¡  …BBeePPc ͬcͬ = wit donkeroog

–          c ͣ = Himalayan albino of rus.

Voor de meeste fokkers volstaat deze informatie tot hier. Op tentoonstellingen merken we echter meer en meer ‘minder gewone’ cavia’s. Vandaar dat we er nog een pak informatie gaan aan toevoegen. Ook in onze laatste bijdrage volgende keer zal er nog heel wat te leren vallen, o.a. over de haarstructuren.

S-locus staat voor ‘spotting’.

Voor wie graag ‘witte vlekken’ in de beharing van zijn cavia’s ziet verschijnen, moet nu even goed opletten. Het kan daarbij gaan over rood-bonte rexen, driekleuren, een Hollandertekening in pakweg wit of zwart, Amerikaans gekruinde gladharen, enz. De fokkers dienen wel te onthouden, dat bij de S-locus of ‘de witte vlekken factor’ (cfr het Engelse spotting) er nog heel wat modificerende factoren optreden, dat de S-factor intermediair vererft, dat er nog heel wat toevalligheden een rol spelen. Dat verklaart waarom er meestal heel wat nakomelingen gekweekt moeten worden, alvorens men ‘een goeie’ heeft.

–          SS = geen wit

–          Ss = minder dan 50% wit

–          ss = meer dan 50% wit

–          …EE of ee … = bont

–          …e   e    = driekleur

Het komt echter wel voor, dat dieren met Ss op het eerste zicht eenkleurig zijn. Bij nader toekijken en bij inblazen merkt men echter heel wat witte haren, die mooi over de ganse vacht verspreid zitten. Bovendien merk je ook, dat er bepaalde Engels gekruinde gladharen op tentoonstellingen verschijnen, die ‘slechte’ Amerikaans gekruinde gladharen zijn. Het wit is echter sterk teruggedrongen (Ss). De voetzolen zijn echter heel wat minder doorzwart en er zitten nogal wat verdwaalde witte haren in de beharing. Toch kunnen die in theorie bij verparing nog mooi gekleurde Amerikanen opleveren.

Tenslotte maken we ook nog wat plaats voor een factor die van belang is bij heel wat borstelharige of bij bv de Dalmatiner.

De Rn-locus: de schimmelfactor.

De Rn-locus staat voor ‘roan’ of schimmelfactor. Wie op websites naar deze factor gaat zoeken, moet niet schrikken als hij of zij naar de Dalmatinerfactor op zoek moet gaan. Wie al wat ervaring met Dalmatiners opgedaan heeft, weet dat ook deze factor niet geheel zuiver vererft. Ook hier moeten heel wat modificerende factoren een rol spelen om het uiteindelijke resultaat te kunnen verklaren.

In feite zorgt de roanfactor dus voor twee verschijnselen:

–          De schimmel of de vermenging van witte haren met zwarte of rode haren met witte haren. Gemengd schimmel is dan het samen verschijnen van zwarte, rode en witte haren. Het ideale beeld wordt gevormd door één gekleurd met één wit haar. Gemengd schimmel is de combinatie van brindle met schimmelfactor.

–          De Dalmatinertekening, waarbij een wit dier een donkere kop heeft, een witte bles, volledig gekleurde voeten en over het lichaam verspreide zwarte vlekken, als gevolg van modificerende factoren.

De genetische voorstelling van de roanfactor is Rn:

–          Rnrn: geeft een intense verdeling van witte haren in gekleurde pelsgedeeltes.

–          rnrn: niet schimmel

–          RnRn: een lethale of sublethale factor. Dit impliceert dat kruisingen onder dalmatiners onderling, of zelfs schimmels onderling jongen geven met weinig kans op overleven.

Met de voorbije informatie zou iedere fokker nu in staat moeten zijn om zijn eigen kleurenpallet samen te stellen en om voorspellingen over het kweekresultaat te maken…met kans op succes. Zolang als men maar met fokzuivere dieren werkt. Anders blijft het nog steeds wat koffiedik kijken.

Mag het wat korter of is lang ook goed?

De oorspronkelijke cavia’s waren meer dan waarschijnlijk allemaal met kort haar, zoals onze gladharen van vandaag. Het hoeft dan ook geen verbazing te wekken, dat kort haar (aangeduid met hoofdletter L) dominant over lang haar is (aangeduid met kleine letter l). LL is dus gladhaar en een langharig dier ziet er dan uit als ll. Het speciale aan dit gen is dat het onvolledig dominant is, wat inhoudt dat een kruising tussen een gladhaar en een langhaar niet steeds een gladhaar geeft. Wie het al eens uitgeprobeerd heeft, merkt dan wel dat je gewone gladharen hebt naast gladharen met een wat langere haarstructuur of langharen die niet een volledige lengte laten zien. Wie gladharen eventueel in langharen inkruist om de kleur te verbeteren (wat sommigen ook doen), moet er dus wel rekening mee houden, dat een aantal generaties gevraagd wordt om finaal de gewenste lengte terug te verkrijgen.

Met of zonder kruintje?

In het Engels spreken we niet over gekruind, maar wel over ‘crested’ en dat wordt veroorzaakt door het ‘star’ gen. Dit is verantwoordelijk voor een enkel rozet op het voorhoofd, wat ook een dominant kenmerk is. Dieren zonder een kruin op het voorhoofd hebben dan een recessief gen ‘st’. Dit ‘star’ gen werd ingekruist in gladharen waardoor Engels of Amerikaans gekruinde dieren ontstonden en in Shelties, waardoor Coronet gemaakt werd. Amerikaans gekruinde dieren hebben dus niet alleen een StSt, maar ook wat ‘spotting’ in de genen. Hierdoor krijg je het typische wit in de kruin. Dit betekent ook, dat het zwart van een Amerikaans gekruind dier nooit echt zo diep zwart is als een zwarte gladhaar.
stst is dan een niet-gekruind dier, bijvoorbeeld een Gladhaar of een Sheltie. Stst is dan wel een gekruind dier, dat ook een allel voor niet-gekruind draagt.

Een koning met ruwe beharing?

In België is ook de Rex erkend. De Rex-cavia heeft een krulfactor en is ongetwijfeld ontstaan als een mutatie van de Gladhaar. Door de krulfactor ontstaat als het ware een ‘slag’ in het haar. Op volwassen leeftijd moet de beharing stug aanvoelen. De beharing mag ook niet ‘aanliggen’. De rex-factor is recessief tegenover de gladhaar-factor. Dit impliceert, dat een fokzuivere Gladhaar kruisen met fokzuivere Rexen steeds Gladharen geeft. De uit deze combinatie voortkomende Gladharen zijn echter drager van een Rex-factor. Uiterlijk zal je daar nog niet teveel van merken, maar onderlinge verparing kan weer wat Rexen opleveren. Wie zijn kleur wil verbeteren, kan dus vrij snel over Gladhaar gaan. Een kleine boekhouding en extra-merken kunnen zeker geen kwaad. Dus:

–          RxRx is een normaal harige of Gladhaar

–          rxrx is een Rexbeharing.

De rex-factor werd ook in Shelties, Coronets en Angora (Peruvianen) ingekruist om Tessels, Merinos en Alpacas te bekomen. In Zweden ontdekte met een gen, dat sterk gelijkt op het rex-gen en dat zij ‘curly’ noemen. We vinden dat terug in de Curly en in de Lunkarya, twee in België niet-erkende rassen die we dan ook niet verder zullen behandelen.

Als satijn zo fijn.

Wie Satijncavia’s op een tentoonstelling voor het eerst ziet, wordt niet vaak op slag verliefd. Die gladde, blinkende beharing is een gevolg van de ‘satijnfactor’, die de haarstructuur verandert. De haren van de Satijn zijn hol, waardoor het licht op een specifieke manier weerkaatst wordt en de specifieke glans ontstaat. Wie Satijnen gekweekt heeft, beseft dat de satijnfactor recessief is. Dit impliceert dat een Gladhaar gekruist met een Satijn, steeds Gladharen oplevert, die satijndragend zijn. Over Satijnen bestaat nog steeds heel wat discussie. Sommige auteurs en fokkers beweren bij hoog en bijlaag dat twee Satijnen verparen leidt tot ongelukken. Deze kruising zou namelijk onderhevig zijn aan de ‘lethaal factor’ en aanleiding geven tot doodgeboren of niet levensvatbare diertjes. Eigen ondervinding heeft echter geleerd dat dit niet automatisch zo moet zijn. Regelmatig satijndragers inkruisen versterkt de stam echter wel degelijk. Dus:

–          SnSn = niet-satijn

–          snsn = satijn

–          Snsn = niet-satijn, maar wel satijndrager.

De satijnfactor kom je niet alleen bij Gladharen (kortharige) tegen, maar ook in combinatie met andere haarstructuren kan je ze tegenkomen. Borstels met een snsn-combinatie zijn prachtig, maar oh zo zeldzaam.

Borstel ze binnen of buiten?

Wie Borstelharige cavia’s wil kweken moet rekening houden met een aantal factoren. In de eerste plaats is er de R of de ‘rough’ factor, wat staat voor ruw of wild. Deze R-factor is dominant over de r-factor of normaal haar, geen rozetten.

RR is dus rozetten en rr is dus normaal haar. Als we deze factoren koppelen aan deze voor lang of kort haar, dan komen we aan volgende combinaties:

–          RRLL of Borstelhaar

–          rrLL of de Gladhaar

–          RRll of de Angora

–          rrll of de Sheltie.

Om echter de Borstelharige of Angora’s te krijgen die we echt willen, hebben we nog iets nodig. We behoeven nog een ‘modificator’ van R. Deze factor wordt M genoemd naar ‘modifier’:

–          M is verantwoordelijk voor normaal haar, zonder rozetten of rozetten onderdrukt

–          m laat dan de rozetvorming toe.

Borstelharige cavia’s hebben dus steeds LLRRmm. Indien de diertjes geen modifier hebben, dan merk je op de voeten haar dat ‘omgekeerd’ of in warrels groeit. Voor diertjes met rr maakt het niet uit of ze nu al dan niet een modifier hebben. Die zijn altijd ‘gladharig’. Dus:

–          RRMM heeft borstels

–          RrMM heeft borstels

–          RRMm heeft borstels

–          RrMm heeft ook borstels

–          Maar ze zullen niet de gewenste kwantiteit en kwaliteit van rozetten en kammen laten zien. Ze riskeren heel wat warrels te vertonen. Conclusie als je dergelijke dieren in een nestje merkt: uitsluiten van verdere fok.

Een ras, dat ij België ook nog niet erkend is heet de Ridgeback en is een variant tussen een Gladhaar en een Borstel, het is een korthaar met een rechtopstaande kam op de rug. Ze zijn dus LLRRMM of LLRRMm. De laatste versie zou wel eens de correcte kunnen zijn, omdat ze het resultaat van ene kruising tussen een Borstel en een Gladhaar kunnen zijn. Voor mij is het echter waarschijnlijker, dat ze LLRRMM zijn, maar dat een bijkomende modifier voor het eindresultaat zorgt.

Kroeskopjes!

US Teddy is in België nog niet erkend, evenmin als de CH-Teddy. Toch gaat het hier om twee verschillende factoren en twee onderscheiden rassen. Toch zijn er in ons land al enkele mensen in de waggel om het ene dan wel het andere ras ter erkenning voor te bereiden.

De US-Teddy lijkt wel op een Rex, maar is het niet. De beharing is minder stug dan bij een Rex, terwijl de buikbeharing ook glad(der) is. Het gen, dat hiervoor verantwoordelijk tekent is recessief en luistert naar de letters ‘fz’, wat staat voor fuzzy of krullend, kroeskop.

–          FzFz is dus Gladhaar

–          fzfz is dan US-Teddy.

Ik ken fokkers, die op de idee kwamen om Rexen en US-Teddies onderling te verparen, ondanks alle waarschuwingen. Zij kregen…Gladharen, nl. RxrxFzfz. Dit impliceert dat deze nakomelingen zowel Rexdragend als US-Teddydragend waren. Wie uit dergelijke kruisingsproducten nog wijs geraakt, laat een berichtje na op het antwoordapparaat.

Een CH-Teddy heeft ook een recessieve factor ch. Een Gladhaar heeft dan ChCh en een CH-Teddy chch.

Onze langharige vrienden.

Onze langharige vrienden gaan we allemaal in eenzelfde rijtje onderbrengen:

–          Sheltie: rrMMllRxRxststSnSn

–          Tessel: rrMMllrxrxststSnSn

–          Coronet: rrMMllRxRxStStSnSn

–          Merino: rrMMllrxrxStStSnSn

–          Angora: RRMMllRxRxststSnSn

–          Angora:RrMmllRxRxststSnSn

–          Alpaca:RR (of Rr)MM (of Mm)llrxrxststSnSn

Hierbij zien we steeds FzFz.

En nu alles onder elkaar?

Nu we alle gegevens en aanzetten tot genetische formules kennen, zouden we kunnen beginnen experimenteren…maar dat raden we absoluut af. Desalniettemin geven we hier toch een tabel met mogelijke uitkomsten van kruisingen, waarbij we er voor de eenvoud van uitgaan, dat het telkens gaat om zoveel als mogelijk fokzuivere dieren (sommige hebben nu eenmaal combinaties in hun genen).

  Gladhaar Gekruind Borstels Rex US-Teddy Sheltie Coronet Angora Tessel Merino Alpaca
Gladhaar Gladhaar Gekruind Borstels Gladhaar Gladhaar Gladhaar Gekruind Borstels Gladhaar Gekruind Borstels
Gekruind   Gekruind Borstels Gekruind Gekruind Gekruind Gejruind Borstels Gekruind Gekruind Borstels
Borstels     Borstels Borstels Borstels Borstels Borstels Borstels Borstels Borstels Borstels
Rex       Rex Gladhaar Gladhaar Gekruind Borstels Rex Rex met kronen Rex met warrels
US-Teddy         US-Teddy Gladhaar Gekruind Borstels Gladhaar Gekruind Borstels
Sheltie           Sheltie Coronet Borstels Sheltie Coronet Angora
Coronet             Coronet Angora Coronet Coronet Angora
Angora               Angora Angora Angora Angora
Tessel                 Tessel Merino Alpaca
Merino                   Merino Alpaca
Alpaca                     Alpaca

 

Nog eens op een rijtje?

Als we de verschillende fenotypes op een rijtje zetten dan kunnen we volgende conclusies trekken:

–          Langhaar is recessief tegenover korthaar

–          Gekruind is dominant tegenover gladhaar, maar recessief tegenover ‘veelwarrels’

–          Warrels is dominant tegenover gladhaar en gekruind

–          Teddy en Rex is recessief tegenover gladhaar, gekruind en warrels

–          Normaalbeharing is dominant tegenover satijnbeharing.

Nog wat praktijk-gevallen:

–          Een Alpaca gekruist met een Gladhaar geeft een Borstel omdat de ll-factor van de Alpaca onderdrukt wordt door de LL-factor van de Gladhaar, terwijl de rozetvorming doorgedrukt wordt over de rr van de gladhaar. Tenslotte wordt de rxrx-factor van de Alpaca overweldigt door de RxRx van de Gladhaar. Dus Borstels.

–          Een Teddy met een Rex geeft een Gladhaar, want RxRxfzfz x rxrxFzFz = RxrxFzfz of Gladhaar.

Zo kunnen we natuurlijk nog een tijdje doorgaan. We beseffen echter wel, dat met deze artikelenreeks nog niet alles over erfelijkheid gezegd is. Er is ook nog veel te ontdekken en te onderzoeken. Het verschil tussen tipping en ticking, tussen argenten en agoutis, het creëren van nieuwe rassen, het verankeren van genetische informatie, enz, enz. Zoals steeds blijven we nieuwsgierig naar de reacties en ervaringen van andere fokkers. Deel ze met collega’s en laat ons de Belgische caviafokkerij nog sterker maken. Er zijn ontzettend veel goede dieren en evenveel goede fokkers. Het materiaal is echt in België aanwezig. Wij praten er echter niet altijd evenveel over als sommige andere naties. Als we er niet willen over praten, laat er ons dan wel over schrijven.